Loading

Best practices voor het laden van gegevens

Publicatiedatum: Mar 4, 2021
Beschrijving

Best practices voor het laden van gegevens

Oplossing
Best practices voor het laden van gegevens
  1. Identificeer de gegevens die u wilt gaan migreren.

    Wellicht wilt u of hoeft u niet een volledige set gegevens te migreren; u kiest dan zelf welke objecten u wilt migreren. Mogelijk wilt u van elke account alleen de contactpersoonsgegevens migreren, of alleen de accountgegevens van een bepaalde divisie migreren.

  2. Maak sjablonen voor de gegevens.

    Maak één sjabloon voor elk object, bijvoorbeeld een Excel-werkblad. Een sjabloon is, eenvoudig gezegd, een .csv-bestand met koppen. Deze koppen zijn de verschillende velden (naam/label) van het object. De beste manier om een sjabloon te maken is een gegevensexport uitvoeren met behulp van de Data Loader en het exportbestand dan als sjabloon gebruiken.

    Geef voor elk object de verplichte velden aan. Naast de verplichte velden voor elk standaardobject zijn er mogelijk nog aanvullende verplichte velden zoals die welke nodig zijn om bedrijfsregels te volgen, of velden voor oudere ID's. Gebruik deze richtlijn of raadpleeg de paginalay-outdefinities in de Salesforce-gebruikersinterface om te achterhalen welke velden verplicht zijn voor standaardobjecten.

    Wellicht wilt u de verplichte velden markeren in rood om het controleren van de gegevens te vergemakkelijken, nadat u de sjablonen hebt ingevuld.

    Ook dient u afhankelijkheden bij de rangschikking of ordening aan te geven. Objecten hebben mogelijk verplichte relaties (bijvoorbeeld alle accounts hebben een eigenaar, terwijl alle opportunities zijn gekoppeld aan een account). De afhankelijkheden van deze relaties bepalen de volgorde van gegevensmigratie. Zo dient u bij Salesforce-gegevens eerst de gebruikers te laden, vervolgens de accounts en dan pas de opportunities.

    Voor het identificeren van de afhankelijkheden controleert u de gerelateerde lijsten en opzoekvelden in de paginalay-out van het gegeven object en de ID's (externe sleutels) in de database.

  3. Vul de sjablonen in met gegevens.

    Schoon uw gegevens op voordat u de sjabloon invult met gegevens, en controleer de gegevens in de sjabloon.

  4. Migreer de gegevens.

    Maak aangepaste velden om hierin oudere ID-gegevens op te slaan. Geef het aangepaste veld optioneel het kenmerk Externe ID mee, zodat het wordt geïndexeerd. Dit draagt bij aan het handhaven van de relaties en helpt bij het opzetten van aangepaste rapporten voor validering.

    Laad één record, controleer de resultaten en laad vervolgens alle records.

  5. Valideer de gegevens.

    Gebruik al deze technieken om uw migratie te valideren:

    • Maak aangepaste rapporten die recordtellingen valideren en een algemene momentopname van de migratie bieden.
    • Controleer willekeurig geselecteerde gegevens.
    • Lees uitzonderingsrapporten door om te bekijken welke gegevens niet werden gemigreerd.
  6. Migreer de gegevens desnoods opnieuw of werk deze bij.

Raadpleeg voor meer informatie over opties voor het laden van gegevens de volgende koppeling:

https://help.salesforce.com/apex/HTViewSolution?id=000025263&language=en_US

Knowledge-artikelnummer

000385417

 
Wordt geladen
Salesforce Help | Article